Het Belgische ongeluk (deel 6)

Werner Somers, de auteur van het boek “Het Belgische ongeluk” hield voor de Vlaams Belang-afdelingen Lier en Koningshooikt, Nijlen-Kessel-Bevel en Berlaar een opgemerkte toespraak over de zogenaamde festiviteiten in het kader van 175 jaar België en 25 jaar federalisme.

Werner Somers toonde aan dat de oprichting van België niet alleen een accident of history was, bovendien werden de Vlamingen in de loop van 175 jaar ‘België’ onderdrukt, vernederd en – zelfs tot op de dag van vandaag – bestolen. Er is dan ook geen enkele reden om deze ‘dubbele verjaardag’ te vieren. Met zijn voordracht en het boek wordt het duidelijk dat het eerder tijd is voor…een afscheid van België, zonder tranen.

Op geregelde tijdstippen brengen wij u een uittreksel uit zijn verhelderende toespraak. Vandaag deel 6.

Repressie – Brussel – vastlegging taalgrens

Repressie

Het verhaal van de Belgische repressies, de repressie tegen de activisten na 1918 en die tegen al dan niet vermeende collaborateurs na 1944 vormt eigenlijk stof voor een aparte voordracht en zal ik dan ook vanavond niet in extenso behandelen. Het is een verhaal dat aantoont dat er toch wel ernstige vraagtekens kunnen gesteld worden het fabeltje van het geweldloze België waarmee men ons zo graag om de oren slaat. Vooral de repressie na de Tweede Wereldoorlog was er één zonder maat of einde, zoals de titel van het boek van Raymond Derine luidt, dat ik iedereen kan aanbevelen. Dit blijft een schandvlek op het blazoen van de Belgische rechtstaat. Heel wat mensen werden enkel gestraft of werden onredelijk zwaar gestraft omdat zij Vlaams-nationalist waren. Zelfs de Waalse katholiek en latere Eerste Minister Pholien sprak van une justice de rois nègres.

Brussel

Dat het ontstaan van België voor Vlaanderen een ramp was, mag dan al voldoende duidelijk zijn, maar misschien zal u zich afvragen: heeft die Vlaamse Beweging dan helemaal niets bereikt? Het antwoord is uiteraard dat de Vlaamse Beweging zeer veel heeft bereikt. Het project van Rogier en consorten om geheel België te verfransen is finaal mislukt. Maar alles wat de Vlaamse Beweging en Vlaanderen bereikt hebben, werd tot stand gebracht ondanks en tegen België. Bovendien was en is de prijs die betaald werd, ontzettend hoog.

Zo is er de verbeulemansing van Brussel, dat in 1830 en tot een eind in de twintigste eeuw een overwegend Vlaamse stad was, maar waar de Nederlandstaligen vandaag een verwaarloosbare minderheid zijn geworden. Dat dit het resultaat was van een natuurlijk proces, is nonsens. De verfransing van Brussel was uitsluitend het gevolg van de Fransgezinde oriëntatie van de Belgische staat waarvan Brussel de hoofdstad werd. Zolang de Nederlandstaligen in Brussel in de meerderheid waren, toonde de francofonie zich voorstander van een ‘Belgisch’ statuut voor de hoofdstad: Brussel als ‘ville mixte’. Om die reden waren de verschillende taalwetten in de Brusselse agglomeratie niet van toepassing. Eens er echter een meerderheid van Franstaligen was, vond men tweetaligheid niet langer nodig. Tweetaligheid was dus slechts een opstap naar Franseentaligheid. Argumenten werden geput uit de talentellingen waaruit bleek dat het aantal ‘Vlaamseentaligen’ zienderogen afnamen. De tweetaligen, die meestal Vlamingen waren, werden ofwel geneutraliseerd ofwel werden ze voor het gemak bij de Franstaligen gerekend. Wat de rijksadministratie betreft, werd Brussel als standplaats gereserveerd voor Nederlandsonkundigen om de posten te compenseren die in Vlaanderen voor Franseentaligen waren verloren gegaan.

Terwijl Vlaanderen vernederlandste, bleef Brussel verder verfransen. Brussel kreeg niet alleen van in het begin een afwijkend taalstatuut, bovendien nam het aantal gemeenten dat onder dat statuut viel voortdurend toe. In 1914 omvatte de Brusselse agglomeratie al 13 gemeenten. De talentellingen werden telkens weer gemanipuleerd om de verder uitbreiding te rechtvaardigen. Wie ook maar een paar woorden Frans kon brabbelen, werd tot de Franstaligen gerekend. In 1921 werd de Brusselse agglomeratie uitgebreid tot 16 gemeenten en werden bovendien de Vlaamse gemeenten Haren, Neder-Over-Heembeek en Laken opgeslorpt door Brussel-stad. Vlak na de Tweede Wereldoorlog bestond er een fel anti-Vlaams klimaat in Brussel. De manipulatie van de talentelling van 1947 was nog grover dan anders. In 1954 werden de resultaten gepubliceerd en werden de gemeenten Evere, Ganshoren en Sint-Agatha-Berchem aan de agglomeratie toegevoegd.

De afschaffing van de talentellingen en de vastlegging van de taalgrens in 1962 was een enorme stap voorwaarts: de Brusselse agglomeratie werd afgebakend en bleef beperkt tot 19 gemeenten. De taalwetten van 1963 hielden voor de Vlamingen een aantal belangrijke garanties in zoals door het Vast Wervingssecretariaat gecontroleerde taalexamens, de gewaarborgde rekrutering van Nederlandstalige ambtenaren en pariteit op leidinggevend niveau. In de praktijk bleef en blijft de taalwetgeving in Brussel vaak dode letter. Dat had onder andere te maken met de opkomst van het FDF in de jaren ’70. In heel wat Brusselse gemeenten verslechterde de toestand nog. Een flagrant voorbeeld van de Franstalige onwil vormde de Schaarbeekse lokettenkwestie: de gemeente Schaarbeek richtte slechts één loket in voor Nederlandstaligen in plaats van aan alle loketten tweetalige ambtenaren te plaatsen zoals de wet vereist. Er werden allerlei trucs gebruikt om de taalwetgeving te omzeilen, zoals de oprichting van gemeentelijke vzw’s en de aanwerving van contractuele ambtenaren waarvoor volgens de Franstaligen de taalwetgeving niet zou gelden. De Brusselse OCMW-ziekenhuizen bleven bijna uitsluitend Franstalige dokters rekruteren onder het voorwendsel dat geneesheren geen ambtenaren zijn.

De bekroning in het proces van de losmaking van Brussel uit Vlaanderen was de oprichting in 1989 van een volwaardig Brussels Hoofdstedelijk Gewest. De positie van de Nederlandstaligen in Brussel is er sindsdien zeker niet op vooruitgegaan. Dat bewijzen de schrijnende taaltoestanden in de Brusselse openbare ziekenhuizen en de toename van het aantal onwettige benoemingen bij gemeenten en OCMW’s van eentalige francofonen. Onder het mom van taalhoffelijkheid werden er zelfs akkoorden gesloten over het niet toepassen van de taalwetgeving. Intussen kan dat Brussels Gewest zich alleen maar met bakken Vlaams geld overeind houden.

Vastlegging van de taalgrens – faciliteiten

Niet alleen Brussel ging grotendeels voor Vlaanderen verloren, hetzelfde was het geval met tal van andere gebieden die in 1830 nog onversneden Vlaams waren. Er werd al gewezen op de manipulatie van de talentellingen. Dat was niet alleen in Brussel, maar ook in de taalgrensstreek het geval. Ook daar leefde na 1945 een anti-Vlaams klimaat. Terwijl in 1930 in de Voerdorpen zich bijvoorbeeld nog 76% van de inwoners Nederlandstalig verklaarde, was dat in 1947 gekrompen tot 37%. Het lijdt geen twijfel dat in de taalgrensgemeenten tienduizenden verklaringen werden afgelegd die niet met de werkelijke wil van de betrokkenen overeenstemden. Er kwamen vooraf ingevulde formulieren voor, de formulieren werden achteraf veranderd of men liet de formulieren van Nederlandstaligen verdwijnen. Ook intimidatie werd niet geschuwd en in sommige gemeenten werden de formulieren ingevuld door politieagenten die de mensen onder druk zetten om te verklaren dat ze Franstalig waren. Niet minder dan 27 gemeenten kregen in 1954 een verfransend statuut.

Door de afschaffing van de talentellingen en daarna de vastlegging van de taalgrens in 1962 werd erger voorkomen. Anderzijds betekende het voor Vlaanderen opnieuw gebiedsverlies. De totstandkoming van de taalgrens was het resultaat van een politieke koehandel. Van een evenwichtig compromis was allerminst sprake, wat alleen al blijkt uit het feit dat het West-Vlaamse Komen en Moeskroen met meer dan 70.000 inwoners overgingen naar Henegouwen, in ruil voor de overheveling van de zes Voerdorpen met nog geen 4.500 inwoners van Luik naar Limburg. In 25 taalgrensgemeenten werden taalfaciliteiten voor anderstaligen ingevoerd. Na de fusie zijn er dat nog 10: zes Vlaamse en vier Waalse. Faciliteiten werden eveneens toegekend in de zes zogenaamde randgemeenten: Wemmel, Drogenbos, Kraainem, Wezembeek-Oppem, Linkebeek en Sint-Genesius-Rode. Terwijl de Vlamingen in Wallonië nauwelijks van de faciliteiten gebruik maken of de faciliteiten eenvoudigweg niet toegepast worden, zagen de Franstaligen in de randgemeenten de faciliteiten als een eerste stap naar de uitbreiding van het Brusselse gewest. Van integratie van de Franstaligen kwam niets in huis. Tegenwoordig beschikken de Franstaligen in bijna alle randgemeenten over een comfortabele meerderheid waardoor ze in staat zijn om de taalwetgeving op een minimalistische wijze toe te passen en de Vlamingen achter te stellen. De Franstaligen weigeren tot op de dag van vandaag het definitieve karakter van de indeling in taalgebieden te aanvaarden en zich van inmenging in Vlaanderen te onthouden. Zo blijft het Franstalige culturele leven in de Rand via een omweg toelagen ontvangen van de Franse Gemeenschap en blijft het Fransdolle blad Carrefour subsidies ontvangen.

Als we het hebben over de prijs van België, dan mogen natuurlijk de geldtransfers van Vlaanderen naar Wallonië niet onvermeld blijven, die intussen reeds tot bijna 12 miljard euro per jaar zijn opgelopen, zonder dat Wallonië daar structureel ook maar een sikkepit beter van wordt. Een dergelijke financiële aderlating is uniek in de hele wereld.

Werner Somers
1

Misschien bent u ook geïnteresseerd in ...